Printervriendelijke versieVerstuur naar een vriend

May 18, 2006
Author: Saskia Boumans

 
De vakbeweging in de VS heeft een woelig jaar achter de rug. Het begon met de opmerking van een van de grotere vakbonden, de SEIU, dat de organisatiegraad in het land onder de kritische grens aan het zakken was en resulteerde in de oprichting van een tweede, concurrentiële, federatie. Maar waar ging het nu eigenlijk over? En hebben de leden of misschien zelfs de arbeidersklasse iets aan deze veranderingen?
 
Het roerige jaar dat 2005 is geworden, begint eigenlijk in maart 2004. De leiders van de vijf vakbonden die later ook een centrale rol in de splitsing zullen spelen, vinden elkaar in een ‘New Union Partnership’. De SEIU (dienstensector), HERE die de horeca organiseert, UNITE (Garment and Textile Workers), de Laborers Union (organiseert 800.000 arbeiders in 50! industrieën) en de Carpenters Union, die al in 2001 uit de federatie AFL-CIO is gestapt, stellen een model voor waarin het organiseren van werkplekken (1) top-priorteit wordt onder het motto ‘organize is power’. Hiertoe moet de federatie meer zeggenschap krijgen over de lidbonden en de lokale vakbondsstructuren; de 60 lidbonden samengevoegd worden tot 15 sectorgerichte bonden, en; een derde van het budget geoormerkt worden voor ledenwerfcampagnes, gefinancierd door een vermindering van financiële steun aan politieke campagnes en een aantal nationale AFL-CIO departementen zoals scholing, mensenrechten en veiligheid en gezondheid.
Buiten veel en vaak verhitte discussies levert de New Union Partnership (NUP) niets op. Volgens SEIU voorzitter Stern was dat precies de bedoeling en in januari 2005, zowat een jaar na de oprichting, wordt het partnerschap ontbonden. 6 Maanden later, na vruchteloze pogingen om overeenstemming te vinden binnen de leiding van de AFL-CIO, wordt de ‘Change to Win Coalition’ opgericht. De coalitie wordt gevormd door dezelfde leden als de NUP aangevuld met de illustere Teamsters (vervoer) en de UFCW (Food and Commercial Workers), en borduurt voort op het programma van de NUP.
Met nog 6 weken te gaan voor het nationale congres van de AFL-CIO waar zowel de verkiezing van de voorzitter als de viering van het vijftig-jarig bestaan op de agenda staan, loopt de spanning op. Nadat duidelijk is geworden dat de Change to Win Coalition definitief het pleit heeft verloren binnen de nationale leiding én niet voldoende afgevaardigden op het congres zal hebben om stemmingen te kunnen winnen, verlaten de SEIU en de Teamsters op de vooravond van het congres de federatie. De anderen boycotten het congres en breken op een later moment stuk voor stuk met de federatie daarmee 3,6 miljoen leden meenemend. Twee maanden later, in september van het vorig jaar, wordt de nieuwe federatie ‘Change to Win’ opgericht.
Expanding market share
Deze korte samenvatting kan nooit de complexiteit van de gebeurtenissen weergeven en toch vallen er al een paar dingen op. Ten eerste: waar zijn de leden? En twee: heeft Change to Win (CtW) ook iets anders dan organisatorische antwoorden te bieden? Beide vragen kunnen worden beantwoord met ‘neen’ en zijn meer met elkaar verbonden dan op het eerste gezicht misschien lijkt.
Amerikaanse vakbonden hebben de laatste decennia voornamelijk leden verloren met als voorlopig dieptepunt een organisatiegraad van 12,46% in 2005 (al liet dat jaar tegelijkertijd in absolute getallen voor het eerst in zes jaar een lichte stijging van 213.000 leden tot 15,7 miljoen zien). Om deze leegloop te keren zijn vakbonden massaal gaan fuseren waarbij sectorale verbondenheid niet altijd een voorwaarde was. Dit catch-all beleid heeft vervolgens geleid tot een concurrentieslag tussen de vakbonden op zoek naar leden. SEIU’s voorzitter Stern, de aanjager van zowel het debat als de splitsing, heeft dit gegeven gekoppeld aan de constatering dat de organisatiegraad nog nooit zo laag is geweest en dat de vakbeweging nimmer zo zwak.
Deze drie elementen samen hebben geleid tot de keuze om de massa van de bonden zowel te vergroten als strategischer te gebruiken en in te zetten. De massa moet vergroot worden door meer leden te werven; strategischer gebruikt worden door de leden samen te ballen in grotere en ‘dus’ sterkere vakbonden georganiseerd langs sectorale lijnen, en; strategischer ingezet worden door vooral leden te werven in de dienstensector. In deze sector speelt internationale concurrentie nog het minst een rol en kan de nationaal georganiseerde vakbeweging nog het meest voor elkaar boksen, zo is de redenering (2).
De antwoorden van de bonden die Change to Win opmaken vloeien dus zeker voort uit een analyse van de defensieve situatie waarin de vakbeweging opereert. Maar omdat het idee van de vakbeweging als een emancipatoire beweging of een beweging waarin aan (de realisering van) een gemeenschappelijke maatschappijvisie wordt gewerkt afwezig is, wordt de kracht van de vakbeweging enkel herleid tot de massa die ze vertegenwoordigt. De vakbond is geen organisatie in dienst van de arbeidersklasse en de wil en de stem van de individuen die de vakbond opmaken spelen geen rol van betekenis daar ze vooral dienen als stuwingsmassa. Op de site van de Labourers Union wordt dit laatste goed verwoord door ledenwerving “expanding market share” te noemen.
Het verloren pleit...
Deze apolitieke benadering van nut en noodzaak van een vakbeweging is echter niet voorbehouden aan de leiders van Change to Win. De leiding van de Amerikaanse vakbeweging heeft al decennia lang het doel om een verantwoordelijke partner te zijn voor corporate America en de U.S. Empire. Vakbondsactivist en opiniemaker Bill Fletcher stelt het als volgt: “We have, in the U.S., a movement that believes that the most that it can ever be is a junior partner to capital. That is what is so fascinating about the current so-called debate. Even the more “militant” of the oppositionists conceptualize a special relationship with the enlightened wing of capital rather than any serious vision of working-class power.”
Het begin van de definitieve overwinning van het idee dat de vakbeweging een medemacht moet zijn, het zogenaamde business unionsm, wordt wel gelegd bij de fusie van de AFL met de CIO in 1955. Zeventien jaar eerder, in 1938, waren vijf vakbonden afgesplitst van de AFL op basis van een diep meningsverschil tussen twee stijlen van arbeidersorganisatie: het craft unionism, aangehangen door de meerderheid van de AFL-bonden en het industrial unionism, gepropageerd door de bonden die later de ‘Congress of Industrial Organisations’ (CIO) zouden vormen. Eerstgenoemde hing de overtuiging aan dat arbeiders georganiseerd moesten blijven worden op basis van hun vakmanschap (skill), dat had hen immers allerlei voordelen opgeleverd, zoals een grote mate van controle over het productieproces. De aanhangers van het industrial unionism daarentegen pleitten voor vakbonden georganiseerd op basis van werkplek om gebruikmakend van de grote massa van arbeiders macht en eenheid af te dwingen, een organisatievorm die door onder andere de radicale International Workers of the World (the Wobblies) werd toegepast.
De CIO werd een succes. De jaren vóór de oorlog kenden grote sociale onrust terwijl tijdens WOII de oproep van de overheid aan werkgevers om vakbonden te erkennen in ruil voor sociale rust, de CIO ook geen windeieren legde. Hun ledental was explosief gegroeid ook al waren ze nog steeds een stuk kleiner dan de AFL en het alternatieve social unionism ontwikkelde zich; het idee dat de vakbeweging méér zou moeten doen dan enkel economisch gewin voor de leden nastreven. Deze progressieve periode is helaas van korte duur en in de jaren vijftig heeft ook het business unionism in de CIO het pleit gewonnen. Een bureaucratisering waar het interne debat en het democratisch leven diep onder leiden, de jacht op ‘het rode gevaar’ en de stap van een voornamelijk activistische naar een voornamelijk legalistische vakbondsstrategie markeren de toenadering tot de AFL die in ’55 wordt bekrachtigd door de fusie tot één federatie. Hiermee wordt ook de laatste succesvolle poging om tot een ander soort vakbeweging in de Verenigde Staten te komen begraven.
Een concurrentiële vakbeweging
De visie dat zowel het wegbreken van de CIO als de fusie een kleine twintig jaar later goed is geweest voor de Amerikaanse vakbeweging heeft brede aanhang. Het verbaast dan ook niet dat zowel Change to Win zelf als sommige media regelmatig een vergelijking tussen haar wegbreken van de AFL-CIO en de scheuring in de jaren dertig maken. Een van de punten van vergelijking is de nadruk die door beide afvalligen gelegd werd en wordt op ‘organisatie’. John Wilhelm, een bestuurder van UNITE-HERE formuleert het als volgt: “My hope and my expectation is that this [dat 75% van het budget naar organiseren gaat] will have an instigating effect. The CIO had conventions and resolutions and political programs, but the only reason people remember it is that it organized millions of people.”
Een belangrijker aspect in de vergelijking is echter het idee dat concurrentie goed is geweest en goed zal doen: de jaren ‘30 werd gekenmerkt door sterke competitie én kende de grootste vakbondsgroei ooit, onder andere omdat de ‘geen vakbond-optie’ naar de achtergrond verdween.
Dit klopt ongetwijfeld, een klimaat waarin het normaal is dat arbeiders zich organiseren, heeft zeker voordelen boven de situatie waarin het overgrote deel van de vakbeweging in de geïndustrialiseerde wereld zich nu bevindt. Tegelijkertijd is het óók waar dat de concurrentie in de jaren ‘30 geen wedstrijd organiseren was – zoals de hierboven geciteerde Wilhelm het zich wil herinneren – maar gebaseerd was op een diep meningsverschil over de rol en positie van de vakbeweging in de samenleving. De Amerikaanse vakbeweging kende toen een politieke oppositie die sindsdien niet meer is vertoond en ook met de geboorte van Change to Win niet wordt gerealiseerd.
 
Saskia Boumans
 
Voetnoten:
(1) De VS kent het zogenaamde ‘closed shop’ systeem dat zoveel betekent als dat vakbonden het recht om de werknemers van een bedrijf te vertegenwoordigen moeten winnen door middel van verkiezingen waarin de meerderheid van de werknemers voor de aanwezigheid van de vakbond dient te stemmen.
(2) Een overigens niet onbelangrijk detail is dat de bonden die Change to Win uitmaken voornamelijk de dienstensector organiseren, inderdaad dé economische groeisector van de afgelopen twee decennia zoals ze zelf ook vaststellen. Met het wegbreken van deze sector forceren ze dus ook een scheiding tussen een zich ontwikkelende sector en de oude industriële bonden die meer en meer terrein.